2026-4 Een mooi spulletje
Gesa Thönnessen werkt bij Toplicht in Hamburg, maar heeft ook een platbodem, waarmee zij graag zeilt. Het scheepje werd altijd omschreven als `boeieraak'. Totdat zij in Den Helder op de Traditionele Schepen Beurs aan de stand van de SSRP verscheen en er meer informatie boven water kwam.
Gesa is al sinds 2011 eigenaresse van een van oorsprong Nederlandse platbodem waarvan het type toen werd omschreven als boeieraak. Ze doopte haar schip Johanna von Oevelgönne en nam ligplaats in de museumhaven bij Hamburg, aan de Elbe. Toen Toplicht afgelopen jaar met een stand in Den Helder stond, bood dat Gesa de mogelijkheid eens op onderzoek uit te gaan, eerst bij de Spiegel-stand, toen bij de SSRP-stand.
Tot haar verbazing bleek er op de SSRP-website een oud artikel te staan uit De Waterkampioen, waarin de oudste geschiedenis van haar schip beschreven staat. Deze geschiedenis begint bij Stofberg, toen nog gevestigd in Aalsmeer. Gesa nam nog op de eerste beursdag contact op met Stofberg en kon zaterdag in Enkhuizen langskomen voor meer informatie en foto's. Op zondag vertelde ze ons enthousiast over haar gesprek met Stofberg en liet ons prachtige foto's zien.
Voorgeschiedenis
Aart Klein, fotograaf te Amsterdam, was bevriend met de eigenaar van De Jonge Egbert, de eerste Stofberg-aak. Aart werd gegrepen door de mooie lijnen van deze aak en vroeg Stofberg om ook voor hem naar een scheepje uit te kijken. `Niet zo groot,' had hij er nog aan toegevoegd. Stofberg belde op zeker moment met de mededeling dat hij iets had zien liggen in Assen. Dat zou voor hem erg geschikt zijn. Het bleek een lelijk woonschuitje te zijn met een onmogelijke opbouw. Maar scheepsbouwer Stofberg zag wel iets in de romp. De koop werd gesloten en een beurtschipper nam het woonschuitje mee op sleeptouw naar Amsterdam, waarna het met behulp van een sleepbootje naar Aalsmeer werd gebracht. Stofberg nam de romp goed onderhanden en bracht het schip in zijn oorspronkelijke staat terug, met roef. Het was "een mooi spulletje" geworden, maar er bestond nog steeds onduidelijkheid over het scheepstype.
Zoektocht
Aart Klein vertelde in 1964 in de Waterkampioen: `Brugwachter Leiseboer van de Veenlust-draai te Assen, waar het "scharminkel" lag, heeft eens voor mij geïnformeerd waar het scheepje vandaan kwam en wat het oorspronkelijk was. Waarschijnlijk is het in 1920 of 1921 gebouwd bij Wildschut in Gaastmeer, maar zekerheid heb ik daarover niet kunnen krijgen. Het archief van Wildschut is verbrand. Het was beslist geen vissersscheepje, want er zat geen bun in. Het zou vroeger gebruikt zijn voor melkvervoer over de Friese meren. Het scheepje had van de ene boer naar de andere gevaren om met 64 melkbussen naar de melkfabriek te zeilen.
Twee Friese tjalkschippers hadden een andere mening. De één beweerde dat het een beurtschippertje is geweest en tussen verschillende Friese steden heeft gevaren; de ander dacht dat het dienst had gedaan als schip voor vissers. Diverse mogelijkheden, net als de typeaanduidingen. Dirk Huizinga, groot kenner van aakachtigen, meent echter: 'De Johanna von Oevelgönne is onmiskenbaar van oorsprong een vissersscheepje: een Workumer-, dan wel Wieringer-, of Enkhuizer bol, al naar gelang de plaats waar een bol werd gebouwd of de omgeving waarin die werd gebruikt. Weliswaar zonder bun, maar dat zegt niet zoveel. De Johanna, gebouwd in Gaastmeer is waarschijnlijk aan de Friese kust gebruikt, vandaar de huidige typering Workumer bol.'
Waarom geen schouw
Huizinga vervolgt: `De stalen bollen hadden niet het knikje in de kim dat de houten bollen wel hadden. De reden is dat die knik in de kim moeilijk te maken was in een tijd dat schepen geklonken werden. Het was veel eenvoudiger de gangen rond te laten lopen, de gangen dakpansgewijs over elkaar. Het zal wel kloppen dat het bolletje gebruikt is om melkbussen op te halen. Daar is zo'n breed, plat scheepje heel geschikt voor.'
Dat wil niet zeggen dat dit vanaf het begin het geval is geweest. Voor melkbussenvervoer kun je net zo goed een stalen schouw gebruiken die veel goedkoper is. Stel dat deze Johanna aanvankelijk voor de visserij is gebruikt (op aal met fuiken rond de Zuiderzee) en de visser ermee ophield in 1932. Dan is het scheepje misschien regelrecht overgegaan naar de boerenscheepvaart. Bij latere generaties is de fase van visaak waarschijnlijk nooit bekend geweest en dus ook niet doorgegeven. Hoe het ook zij, het is mooi dat deze bol bewaard is gebleven, mét een uitgebreide recente geschiedenis, die mogelijk ooit nog eens aangevuld gaat worden met informatie uit haar beginjaren!
SdZ 2026 nr4 mei - Een mooi spulletje