Koningsdag 2026 met historische schepen

28-04-2026

Wie op Koningsdag 27 april jl. in Dokkum was of, zoals ik, voor de TV het gebeuren volgde, kon ook enige interessante schepen aan de kant zien liggen. Zoals natuurlijk de boeier ‘Friso’ uit 1894, het statenjacht van de provincie Fryslân. De Commissaris van de Koning van Fryslân, dhr. A. Brok, was immers gastheer voor de Koninklijke familie en mocht het gezelschap begeleiden langs de route.

Voor de TV waren de schepen natuurlijk niet belangrijk. Zo bleef de houten replica van een Wierumer aak (de WL19) slechts in de verte waarneembaar en ook het gerestaureerde beurtschip Stânfries X van de SBS en de koftjalk Soli Deo Gloria bleven als schip vrijwel uit beeld. Alleen het skûtsje van Dokkum kreeg een rol in de festiviteiten. De koning mocht proberen het voorgehesen grootzeil nog ietsje hoger te draaien, maar dat viel niet mee. Dat gaat ondanks de stevige lier heel wat zwaarder dan het lijkt.

Het skûtsje ‘Ebenhaëzer’

Dat skûtsje van Dokkum is er nog niet zo lang. Het is wel een oud schip, maar is pas recentelijk opgeknapt tot wedstrijdskûtsje. Pas recentelijk werd de geschiedenis van het skûtsje bekend, toen Frits Jansen (van Stichting Foar de Neiteam) en Simon van der Meulen uit Leeuwarden konden aantonen dat het een schip was dat in 1907 gebouwd was in opdracht van Sybren van der Werf uit Burgum bij scheepswerf Barkmeijer in Dokkum. Men meende dat het schip na verkoop in 1935 verloren was gegaan, maar dat bleek niet het geval te zijn. In 2018 kreeg het schip weer zijn oorspronkelijke naam.

Skûtsje de Ebenhaëzer met de fam. Van der Werf in 1930
Skûtsje de Ebenhaëzer met de fam. Van der Werf in 1930
De gerestaureerde Ebenhaëzer, ingericht als wedstrijdschip
De gerestaureerde Ebenhaëzer, ingericht als wedstrijdschip
Simon van der Meulen (links) en Frits Jansen in 2017 te Dokkum, de ‘ontdekkers’ van het Dokkumer skûtsje.
Simon van der Meulen (links) en Frits Jansen in 2017 te Dokkum, de ‘ontdekkers’ van het Dokkumer skûtsje.

De Wierumer aak WL19

De Wierumer aak is een replica van de vissersschepen die zo genoemd werden bij Paessens-Moddergat. De vissers gebruikten daar blazers en dit soort aken, die eruit zien als schokkers. Door een zware storm in 1883 gingen 17 van de 22 vissersschepen verloren. De in 1871 gebouwde aak WL19 was gestrand op de gronden tussen Schiermonnikoog en Rottumeroog en verging met man en muis. Later spelde er wrakhout van de aak aan op de Groningse kust. Met de nodige inspanning slaagde de Stichting It Fiskerskip uit Moddergat, die in 1998 werd opgericht, erin om relevante informatie te vinden over dit scheepstype. Zoals bijvoorbeeld een historisch bestek van een te bouwen Wierumeraak dat bewaard werd in het Scheepvaart Museum Friesland. Uiteindelijk werd besloten tot de bouw van een replica van de WL19.
Op de TV-beelden was de Wierumer aak slechts in de verte te zien, achter beurtschip Stânfries X. Het had ook geen specifieke functie bij de festiviteiten. Het werd dus ook niet duidelijk, dat daar een heel bijzonder historisch vaartuig lag.

Hindeloopen, het zeebad met een kleedhokje aan het einde van de steiger.1915
Hindeloopen, het zeebad met een kleedhokje aan het einde van de steiger.1915

Het beurtschip Stânfries X

Het beurtschip Stânfries X was oorspronkelijk een stoomschip. Het werd in 1909 gebouwd in opdracht van de Rotterdamse firma Saint-Martin & Co bij scheepswerf Van der Giessen & Zonen in Krimpen aan de IJssel en voer onder de naam ‘Drachten I’. Het Rotterdamse handelshuis werkte samen met de Leeuwarder Stoomboot Maatschappij. De fraaie stoombeurten voeren uiteindelijk onder de naam van de firma Van der Schuit, Van den Boom, Stânfries (SBS). Ze zijn na de jaren zestig stilletjes van het water verdwenen. Alleen de 36 meter lange Stânfries X werd in deplorabele staat rond het jaar 2000 terug gevonden in de Kalkhaven te Leeuwarden. Dit schip onderhield van 1911 tot het midden van de jaren zestig vracht- en passagiersdiensten tussen Leeuwarden en Amsterdam. Toen het uit de vaart was genomen, werd het schip uiteindelijk gekocht door De Friesland Bank van de toenmalige eigenaar, de vader van zeehondenmoeder Lenie ’t Hart uit Pieterburen. Het schip was omgedoopt tot ‘Lenie’. Voor de restauratie waren slechts twee bronnen beschikbaar: een schaalmodel en een foto van het schip als op een rustig IJsselmeer vaart. Na de restauratie heeft het een ligplaats gekregen in Leeuwarden, naast de Friesland Bank, aan de Willemskade, waar voorheen ook de beurtschepen van rederij Stânfries lagen. In het ruim is een tentoonstelling over de rederij ingericht. De oorspronkelijke stoommachine is niet in ere hersteld. Het schip is voorzien van een 180 pk scheepsdiesel. De laatste jaren ligt het schip in de klassieke botenhaven bij de Beursbrug als vlaggenschip van de vloot van de Stichting Museumhaven Leeuwarden.

Leeuwarden, 1929. Willemskade met in de gracht de stoombeurt ‘Stânfries III’ van rederij ‘Holland-Friesland’ bij de Prins Hendrikbrug, die het ijs breekt. (Foto: Tresoar, uit collectie M. Hepkema).
Leeuwarden, 1929. Willemskade met in de gracht de stoombeurt ‘Stânfries III’ van rederij ‘Holland-Friesland’ bij de Prins Hendrikbrug, die het ijs breekt. (Foto: Tresoar, uit collectie M. Hepkema).

Op de website van de Stânfries X is deze bijzondere  foto eveneens te zien, Het is echter niet de X, maar de Stânfries III.

De stoombeurt Stânfries X die tussen 1912 en 1955 voer tussen Leeuwarden en Amsterdam.
De stoombeurt Stânfries X die tussen 1912 en 1955 voer tussen Leeuwarden en Amsterdam.
Leeuwarden, Harlingertrekvaart met de Stânfries X. (Foto: HCL)
Leeuwarden, Harlingertrekvaart met de Stânfries X. (Foto: HCL)

Op de website van de stichting die nu eigenaar is van de Stânfries X is te lezen dat de beurtvaarder begin vijftiger jaren is verlengd met 5 meter op de scheepswerf Welgelegen van Van der Werff op Schilkampen. De Friese maat van 31 meter werd bepaald door de langste sluis van Friesland: die van De Lemmer. Er kon echter verlengd worden zodat er meer lading kon worden vervoerd, doordat ‘de nieuwgebouwde sluis in Stavoren langer is.’ Dat is echter een historische vergissing. In 1952 werd de nieuwe Prinses Margrietsluis bij De Lemmer in gebruik genomen. Die sluis was langer dan de Friese maat. De zeesluis van Stavoren was in 1894 verlengd tot de Friese maat, terwijl de nieuwe Willem Frisosluis bij Stavoren pas in 1966 in gebruik is genomen.

De koftjalk Tromp

De koftjalk Tromp die in Dokkum aan het Grootdiep ligt, kwam onlangs bij ‘Scheepspost’ in het nieuws: ‘Laatste Nederlandse zeetjalk eindigt als terras.’ (Scheepspost is de ‘Nieuwsbrief over het Nederlands Varend Erfgoed’, 15 april 2026)

Foto: Nieuwsbrief Scheepspost. De Oostzeetjalk ‘Tromp’ in Dokkum, als terras……
Foto: Nieuwsbrief Scheepspost. De Oostzeetjalk ‘Tromp’ in Dokkum, als terras……

De ‘Nieuwsbrief over het Nederlands Varend Erfgoed’ geeft een interessante geschiedenis van deze Oostzeetjalk. In 1912 liep het schip van stapel in Martenshoek bij Hoogezand en kreeg als naam Lammechiena II, naar de echtgenote van de kapitein. Regelmatig wisselde de tjalk van eigenaar. Tijdens de oorlog lag het in Groningen opgelegd in de Oosterhaven en werd in 1945 tot zinken gebracht in het Verbindingskanaal, voor het station. Na de oorlog werd het weer opgetakeld en vaarklaar gemaakt. In 1954 kreeg het de naam ‘Soli Deo Gloria’. Regelmatig kreeg het weer een andere eigenaar. De tjalk werd in 1967 zelfs verkocht als opleidingsschip in Manilla, waar het echter nooit aankwam. Vanwege de zesdaagse oorlog. Een tijd lag het in Gibraltar en in de haven van Palermo. In 2002 werd de tjalk ontdekt door Chris Woestenburg die de tjalk herdoopte in Tromp en liet registreren in Harlingen. Het werd onder gebracht in een stichting en gerestaureerd, maar kwam nooit meer in de vaart. In 2016 kocht een horecaondernemer d tjalk en legde die in Dokkum aan het Grootdiep. De Scheepspost eindigt de geschiedenis met: ‘Daar kan het publiek nu op het dek plaatsnemen voor een kop koffie, terwijl de stoere koftjalk na meer dan een eeuw op hoge zee wegkwijnt in roerloos binnenwater.’

Onder de voeten van de feestende Oranjevierders gaat dus een scheepstragiek schuil die onbenoemd bleef.

Foto: Nieuwsbrief Scheepspost. De koftjalk ‘Lammechina II’, de latere ‘Tromp’.
Foto: Nieuwsbrief Scheepspost. De koftjalk ‘Lammechina II’, de latere ‘Tromp’.
Foto: Nieuwsbrief Scheepspost, de naam vanaf 1954. (Foto’s overgenomen uit het artikel in de Scheepspost, 15 april 2026)
Foto: Nieuwsbrief Scheepspost, de naam vanaf 1954. (Foto’s overgenomen uit het artikel in de Scheepspost, 15 april 2026)

Terug naar vorige pagina