Andere watersport door duurzame energie?

30-03-2026

Een paar jaar geleden kwam het KNMI met het bericht dat het gemiddeld over land minder hard waait dan enige decennia geleden, wat veroorzaakt zou zijn door de bebouwing van de afgelopen tijd. Ik nam dat graag aan. Tot in de zestiger jaren was Nederlands waterland vlakker met minder bebouwing langs de oevers, minder hoge viaducten met beplanting en zeker ook minder hoge bomen. Voor mijn gevoel woei het in die jaren op het binnenwater ook gemiddeld harder dan tegenwoordig. Dat is natuurlijk geen wetenschappelijk gefundeerde constatering, maar wel een indruk die de recente metingen van het KNMI niet weersprak.

Zeilen in de vijftiger jaren, toen er nog gereefd werd….
Zeilen in de vijftiger jaren, toen er nog gereefd werd….

Op even onwetenschappelijke wijze keek ik wel eens naar al die windturbines die aan de horizon verschenen, vooral op het IJsselmeer. Die halen energie uit de luchtstroom die ‘wind’ heet en dus zal de wind in kracht afnemen door de turbines. De windenergie is weliswaar onuitputtelijk dankzij de zon als veroorzaker van de wind, maar ‘in theorie’ moeten windturbines toch invloed hebben op de windkracht over het water. Die ook al onwetenschappelijke hypothese is onlangs door het Duitse Helmholtz-Zentrum Hereon uit Geesthacht (met vestigingen in Hamburg, Berlijn en verder) in een wat breder verband onderzocht. De Noordzee is immers bestemd om uitgebouwd te worden tot ‘de groene energiecentrale van Europa’? Het met windturbines opgewekt vermogen op die zee moet de komende 25 jaren met een factor tien uitgebreid worden. Wat zijn de te verwachten effecten van een dergelijke uitbreiding op de hydrodynamics van de Noordzee? In februari van dit jaar publiceerden de onderzoekers (o.l.v. Dr. Nils Christiansen) over hun onderzoek in het Nature-Fachjournal Communications Earth & Environment. Ook te lezen op de website van het Helmholtzcentrum.

Halve wind, en vrolijk zeilende Larken, die vanaf de dertiger jaren vooral in Friesland populair werden.
Halve wind, en vrolijk zeilende Larken, die vanaf de dertiger jaren vooral in Friesland populair werden.

Uit het onderzoek blijkt dat de uitbouw van de energie-opwekking op zee zal leiden tot verandering van de zeestromingen en de luchtbeweging. De werking van windturbines onttrekt energie uit de wind en beïnvloedt daarmee de oppervlaktestromingen in de zee. De zware funderingen van de turbines op de zeebodem zorgen voor hindernissen voor de getijdenstromingen. Beide effecten beïnvloeden elkaar bovendien. In een simulatie toonden zich bij het onderzoek nieuwe stromingsbeelden, niet alleen in en om de windparken zelf, maar zich bovendien uitbreidend over de gehele Noordzee. De zwakkere zeestroming kan praktische effecten teweegbrengen, bijvoorbeeld bij het transport van zand door de getijdestromingen, wat voor ons ook invloed kan hebben op het waddengebied. De scheepvaart kan, als de uitbouw van windenergieparken op zee wordt doorgezet, rekenen op minder golfslag op zee. Er kan meer plankton tot ontwikkeling komen, wat de visstand positief zal beïnvloeden, afhankelijk van de waterdiepte en de lokale omstandigheden. De verstoringen door de windparken zijn geringer, naarmate de windturbines hoger zijn en verder uit elkaar staan. De verstoring van de windstroming vindt in dat geval op een hoger niveau plaats en is minder goed merkbaar op zeeniveau. Als de Noordzee grotendeel volgebouwd zal worden met windparken, wat het plan is met de industrialisering van de Noordzee, dan moet wel rekening worden gehouden met een afnemend rendement gaande het proces, doordat de energie van de wind door de vele molens geleidelijk wordt afgetapt en verstrooid. Bij een afnemend rendement en oplopende kosten bij de aanleg van parken in diep water, is het daarom de vraag of dergelijke plannen financieel wel aantrekkelijk blijven.

Net als alle zeilers heeft ook het skûtsjesilen de laatste jaren in de zomer te maken met weinig wind.
Net als alle zeilers heeft ook het skûtsjesilen de laatste jaren in de zomer te maken met weinig wind.

Op het binnenwater wordt de wind niet alleen afgeremd door turbines, maar ook door bebouwing en de aanplant van bomen en bossen. De energie van de wind gaat natuurlijk niet verloren, maar vermindert voor de zeilers doordat een deel van die energie wordt omgezet in andere bewegingen van molens of zwiepende bomen. Voor de skûtsjes in Friesland lijkt dat nauwelijks een bezwaar. Die schepen zijn de afgelopen decennia omgebouwd tot zwaar overtuigde racemachines, die ook bij weinig wind nog verrassend snel over het water glijden, maar bij windkracht 5 Bft. en meer aan de kant blijven, omdat het dan ‘stormt’ en het te gevaarlijk wordt om onder die omstandigheden een wedstrijd te zeilen.

Toen aan de wedstrijden voor zeilende vrachtschepen (skûtsjes) nog de echte vrachtschippers deelnamen die in de zomer een centje bij wilden verdienen, sloegen deze scheepjes bijna nooit om.
Toen aan de wedstrijden voor zeilende vrachtschepen (skûtsjes) nog de echte vrachtschippers deelnamen die in de zomer een centje bij wilden verdienen, sloegen deze scheepjes bijna nooit om.

Tegenwoordig liggen de sleepbootjes echter klaar om gekenterde skûtsjes weer overeind te trekken.

Het karakter van zeilen op het binnenwater is ook veranderd, doordat in de grotere meren (zoals in Friesland de Fluessen en het Tjeukemeer) eilanden zijn opgespoten die de golfslag afremmen, de windkracht beperken en voor jachten beschutte ligplaatsen bieden. In de vijftiger en zestiger jaren was het land vlakker en waren de meren minder beschut. Bij harde wind waagden veel (ook ervaren) zeilers het niet om deze grote meren over te steken vanwege het risico de overkant niet te halen. Friesland was toen landschappelijk veel vlakker dan tegenwoordig. In de oorlogsjaren waren bijvoorbeeld veel bomen omgehakt om tot brandstof te dienen. Ook was er in die jaren nog geen sprake van hoge bebouwing bij de steden. De wind woei er vrij over het platte land.

Kanaal van Sloten naar Tacozijl, 1927. (Foto: Gorter)
Kanaal van Sloten naar Tacozijl, 1927. (Foto: Gorter)
Galamadammen, ca. 1930. Kanaal naar de Oorden, met in de verte de Fluessen. (Foto: Veltman)
Galamadammen, ca. 1930. Kanaal naar de Oorden, met in de verte de Fluessen. (Foto: Veltman)

In zijn ANWB-boek ‘De Waterkant van Nederland’ (Den Haag, 1960) beschreef M. Ruytenschild hoe de wind in Friesland in de vijftiger jaren vrij over de groene vlakten kon blazen. Leuk voor de zeilers, maar het kon er volgens Ruytenschild voor hen ook gemakkelijk te ruig worden. Bijvoorbeeld als een stevige zuidwester het water van het 10 km. lange meer De Fluessen-Heegermeer opstuwt en de golven als ‘steigerende paarden’ bij Heeg aankomen. Het oversteken van de plas van Heeg naar Woudsend of omgekeerd kon volgens hem ‘levensgevaarlijk’ zijn. ‘Wij hebben eens een halve dag aan de mond van de Woudsenderrakken gelegen met de bedoeling over te steken naar Heeg, maar de schuimende golven, die over de tonnen sloegen, benamen ons de moed.’(p.109,110) Ruytenschild ging terug naar Woudsend en vandaar door de vaarten naar het noorden tot de Heeger Var om zo in Heeg aan te komen. Die beschrijving was helemaal niet opmerkelijk. Begin zestiger jaren bleven veel watersporters bij wat hardere wind voor een meer wachten op ‘beter’ weer voordat ze de oversteek waagden. Begin jaren zestig voer ik met m’n Akkrumer Jeugdjol van Langweer naar Stavoren, met een flinke noordwester wind. Dus op het Heegermeer mooi met halve wind golf op, golf af. De Zuidwesthoek was in die jaren nog niet ontdekt als interessant voor de watersport. Die concentreerde zich bij Eernewoude, bij Grouw en bij Sneek. De zuidwesthoek was nog ‘woest en ledig’ en werd te ruw bevonden voor watersporters. In Stavoren lagen we enige dagen aan de Verlengde Schans. We waren daar de enige watersporters ter plaatse! De oude zeesluis was nog in bedrijf, daar werden met regelmaat vrachtscheepjes geschut. Het Hooglandgemaal en de nieuwe schutsluis, direct ten zuiden van Stavoren, moesten nog aangelegd worden. De toeristische drukte zou pas enige decennia later komen.
Tegenwoordig is die 10 kilometerlange watervlakte ten zuidwesten van Heeg verdwenen. Er zijn drie flinke eilanden opgespoten en met bomen beplant, waardoor de golven afgeremd worden en ook de wind een toontje lager moet zingen. Ruytenschild zou nu veilig van het Woudsenderrak in de luwte van het noordelijke eiland kunnen oversteken naar Heeg, ook bij harde wind.


Terug naar vorige pagina