Baden in zee? Natuurlijk!
24-04-2026
Wie tegenwoordig iets aanschaft dat aangeprezen wordt als ‘natuurlijk’, als ‘ecologisch’, als onbespoten, niet industrieel bewerkt etc. etc., die weet dat hij of zij goed zit. Natuur is goed, tenminste na Rousseau, die in 1776 zijn ‘Emile oú de l’education’ publiceerde. Dat was een pleidooi om de jonge Emile volgens de natuurlijke methode op te voeden en niet op de verdorven manier zoals in de Franse cultuur van dat moment gebruikelijk was. Die positieve waardering van alles wat ‘natuurlijk’ werd gevonden, was zeker niet van alle tijden. In tegendeel. Voor de eenvoudige mens in vroeger tijden was de natuur een gevaar en tot in de 19e eeuw werden donkere Duitse wouden (met wolven) als angstaanjagende omgevingen voor onschuldige meisjes als Roodkapje beschreven. De ‘woeste gronden’ die ook ons land tot ver in de 19e eeuw kende, werden als gevaarlijk gezien. Je kon er verdwalen, in moerassen verdrinken en ’s nachts heersten er ‘witte wieven’ en ander gespuis. Op zee was het zeker niet anders. De zee was natuur, waar je zonder goede voorbereiding weg moest blijven, want je liep er gevaar. Het was echter in dezelfde tijd als dat Rousseau de natuurlijke opvoeding van de jeugd propageerde, dat in Engeland artsen een positief beeld schetsten van het baden in zee voor de algehele gezondheid, iets waar vooral de maatschappelijke elite toen ook wel wat in zag.
De zee hield door de jaren heen (terecht natuurlijk) een slechte naam. De zee was gevaarlijk en onberekenbaar. Christenen koppelden het idee van ‘zee’ bovendien aan ‘zondvloed’, wat ook weinig goeds beloofde. De invloed van natuurgenezers bleef echter groeien. ‘Natuur’ mocht dan in morele zin verdacht zijn en met ethische normen getemd moeten worden, bij natuurgenezers ging het om gezondheid en daar kon toch niemand op tegen zijn. Zeker de Duitsers waren gevoelig voor deze visie. Leven in de natuur was voor hun bij voorbaat ‘goed’, want ‘gezond’. Het ondergaan van wisselbaden tijdens een ‘Kneippkur’, ook met zoutwaterbaden, kon op vele plaatsen in Duitsland en hun Waddeneilanden ontwikkelden zich geleidelijk tot populaire zeebadplaatsen.
Pas in de loop van de 19e eeuw drong de natuurfilosofie ook door in Nederland. Het eerst langs de Noordzeekust waar vooral opnieuw de maatschappelijke elite het strand bezocht, maar geleidelijkaan ook rond de Zuiderzee. Vooral langs de oostwal van de Zuiderzee was tijdens de Kleine IJstijd met z’n langdurig noordelijke wind veel zand aangevoerd die voor die kust bleef liggen. De kust was er door zandbanken niet alleen ondiep geworden. Er waren langs beschutte oevers ook brede stranden ontstaan van mooi geel zand. Die stranden met dat ondiepe Zuiderzeewater waren ideaal om er te gaan baden. Je hoefde niet naar de Noordzeekust om je ‘gezond’ te gedragen. Van invloed was daarbij wel de nog lang overheersende visie op leven en welzijn. Door de zon bruin worden, werd in de 19e eeuw niet als iets positiefs gezien. In tegendeel. De burgerij in de steden hield het lichaam bedekt tegen de zonnestralen om blank te blijven. Dat is de mode van die tijd. Alleen boeren en buitenlui verkleurden door de zon en dan alleen nog in het gezicht en op de armen. Dat waren lieden uit een lagere maatschappelijke klasse. De weinige stadsmensen die doelbewust de ‘vrije natuur’ opzochten en meenden dat het gezond was om de zon, de wind en het water op de blote huid te voelen, waren in die tijd uitzonderingen op de regel.
Eén van die uitzonderingen was de huisarts dokter Bouma uit Sneek. Hij was overtuigd van de heilzame werking van het baden in zee en raadde dit aan bij zijn patiënten ter voorkoming van gezondheidsklachten. Voor Hindeloopers was zijn advies mooi te combineren met het streven van enkele notabelen van dat stadje om toeristen naar hun stadje te lokken. Dat zou bijvoorbeeld kunnen met een badgelegenheid bij het toen brede Zuiderzeestrand van Hindeloopen. Voor de gezondheid, maar tevens gecombineerd met een verwijzing naar de bijzondere klederdracht en de bijzondere gebruiken van de plaatselijke bevolking. In 1912 werd op die basis het eerste badpaviljoen van de Zuiderzee geopend ten zuiden van Hindeloopen, van gewapend beton, wat voor die tijd een heel bijzonder en nieuw bouwmateriaal was.
Van de gemeente mocht er bij het badhuis alleen gescheiden gebaad worden. De heren bij pier zes, de dames bij pier zeven. Veel dames en heren kwamen in de praktijk echter helemaal niet aan baden toe. Zij wandelden wat langs de vloedlijn en beperkten zich tot het ‘pootjebaden’, het met blote voeten door ondiep water lopen. Het voor Hindeloopen bijna pompeuze strandpaviljoen kreeg het zakelijk moeilijk toen reeds na twee jaren de Eerste wereldoorlog uitbrak, in 1914. De onderneming ging failliet. Na de afsluiting van de Zuiderzee, in 1932, kwam er bovendien een einde aan de regelmatige afzetting van zand door de vloedstroom langs de kust. Het brede strand kalfde in vrij korte tijd af tot een smalle strook zand zoals wij die kennen. Ondertussen was het idee van ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’ in de jaren na de Eerste Wereldoorlog in bredere kring wel gemeengoed geworden. Lichaamsbeweging in de vrije ruimte, in de buitenlucht en in het water waren niet langer opvattingen van excentrieke enkelingen, maar worden nu door grotere groepen gedragen. De angst voor ‘de natuur’ zoals de stadsmens die in de 19e eeuw nog beleefde, verdween. ‘Natuur’ wordt niet langer als negatief en griezelig ervaren, maar als positief, goed en gezond.
Iets meer naar het zuiden, bij Vollenhove, zijn het enkele vooruitstrevende families met aanzien, die ter plekke het verbod op baden in zee verbreken en daar een voorbeeldfunctie vervullen. Zij laten in de twintiger jaren ’s zomers een paar badhuisjes op het strand ten zuiden van de haven zetten, bij De Kaap, het tien meter hoge keileemklif dat officieel de Voorst van Vollenhove heet. Vervolgens duurde het nog enige jaren, maar in 1927 verscheen er een strandpaviljoen op de oever met kleedhokjes voor de badgasten en steigers bij de palenrijen die de Voorst tegen afslag door de golven moest beschermen. Het water is er niet diep. Voor de meeste badgasten beperkt het baden in de zee zich ook bij Vollenhove tot pootjebaden, net als in Hindeloopen. De paar echte zwemmers lopen ook niet veel risico. Ze kunnen er hoogstens ‘staande verzuipen’. Het paviljoen werd wel een succes. De bezoekers kwamen niet alleen uit Vollenhove, maar ook uit nabij gelegen plaatsen als Steenwijk en Zwartsluis.
Ook verschenen er zwemgelegenheden of badhuizen in zee bij streng christelijke vissersplaatsen als Elburg , terwijl het eiland Urk een voor de opgroeiende jeugd populair strand had langs De Staart. Dat was ver uit zicht van hun ouders, die echter de ontmoetingen van de jeugd daar gedoogden.
Voorgeschreven door de gemeente. Terug naar de natuur? Vooruit, maar dan wel zonder zedenverwildering.
Uiteraard werd het baden in de Zuiderzee ook beoefend door ‘Hollanders’. Reeds vroeg in de 19e eeuw werd het strandleven langs de Noordzeekust populair, vooral bij de wat meer gegoede burgerij. De westwal van de Zuiderzee was helaas minder geschikt voor recreatief baden. Het was er te diep. Er waren geen mooie stranden. Aan de zuidwal kon dat nog wel, die was ondieper en had wel strandjes. Desondanks kon de schilder/fotograaf J. Breitner ook aan de Diemerzeedijk enige foto’s van badgasten maken, omstreeks 1900. Het gaat er daar wel wat minder gereglementeerd aan toe dan bij de keurige badinrichtingen langs de oostwal.