Niet te bewijzen!
23-02-2026
Op zoek naar informatie over Lemsteraken, las ik jaren geleden op Wikipedia een artikel waarin gesteld werd dat de Lemsteraak voortgekomen is uit de visaak die in Friesland al jaren bij vissers op het binnenwater in gebruik was. Die veronderstelling leek mij niet onwaarschijnlijk, dus was ik toch ietsje verrast door de toevoeging bij Wikipedia dat het ‘niet bewezen’ was dat de Lemster visaken die bedoeld waren voor gebruik op de Zuiderzee inderdaad voort gekomen zijn uit de visaken van het binnenwater.
Zo’n opmerking zet je natuurlijk aan het denken. Ook ik suggereerde steeds een vanzelfsprekende ontwikkeling van het visaakje naar de Lemster visaak. Maar dat is geen bewijs. De gedachte was echter ook niet zomaar verzonnen. Afgezien van de uiterlijke overeenkomsten sluit de suggestie ook aan bij een reële traditie in de vaderlandse scheepsbouw. Een scheepje dat niet zeewaardig genoeg was voor de Zuiderzee, werd door de bouwer zo gemaakt, dat het wel bestand was tegen de hogere golven. De uitgangspunten zijn eenvoudig. Het scheepje moest iets groter worden, bijvoorbeeld zeker 10 meter lang en wat zwaarder worden gebouwd. En de zeeg moest aangepast worden. Kop en kont moesten hoger om de golven buiten boord te houden, dus kregen deze schepen een fors hogere kop. Lastig op het binnenwater wegens slecht zicht naar voren, maar geen probleem op de Zuiderzee.
Op onderstaande foto van vissers in De Lemmer zijn drie uitvoeringen van het aakidee te zien. Het boatsje om fuiken te lichten, de binnenaak en de visaak voor de Zuiderzee. Ja, dat is een soort ‘anekdotisch bewijs’, dus wel aannemelijk, maar niet noodzakelijk geldig.
en een visaak voor het binnenwater die geregistreerd is voor de visserij op de Zuiderzee (LE 85) en daartoe voorzien is van zeezwaarden.
De vraag is, wat dan wel een geldig bewijs zou kunnen zijn. Is die vraag naar een sluitende bewijsvoering wel een valide vraag als het gaat om de bouw van werkscheepjes voor vissers die met hun ideeën bij een scheepstimmerman komen? In de 19e eeuw werden deze aakjes vanzelfsprekend van hout gebouwd. De werfbazen werkten met mallen en bouwden niet van tekeningen. Er werd wel voor de bouw een bestek vastgelegd, een overeenkomst tussen opdrachtgever en bouwer over de afmetingen, de materialen en de bijzondere wensen van de opdrachtgever, maar dat was het dan wel. Er bestaan bij mijn weten geen op schrift gestelde plannen van werfbazen, die als ‘bewijs’ gelden dat zij doelbewust en in overeenstemming met een opdrachtgever een visaak bouwden die leek op een visaak voor het binnenwater, maar die geschikt moest zijn voor de Zuiderzee en daarom meer zeeg moest krijgen etc. Dat werd gewoon gedaan in mondeling overleg. De aanpassingen waren vanzelfsprekend. Zo maakte je een visaak voor het binnenwater geschikt voor de Zuiderzee.
De visaakjes voor het binnenwater bestonden al jaren voordat de eerste Lemster visaak werd gebouwd.
Jan Kooijman, bekend van de bouw van vele stalen platbodemjachtjes die ontworpen waren door Jan Gipon, vond het ook belangrijk dat platbodems die het IJsselmeer op gingen een bepaald gewicht hadden om door te kunnen zetten bij de beruchte korte golfslag van dat water. Hij vond een minimum waterverplaatsing van vier ton wenselijk. Dat heb ik altijd interessant gevonden. Staverse visjollen golden als zeewaardig, althans voor de Zuiderzee, maar wogen zelden meer dan twee ton. Zeepunters waren ook niet overdreven zwaar. Volgens mij spelen heel andere factoren een rol bij die zeewaardigheid. In onze tijd bleken juist lichte kajuitjachtjes zoals het Waarschip van 6 meter het veel beter te doen in de golven dan de zware platbodem werkscheepjes. Die scherpe jachtjes dansen over de golven en kunnen vrijzeilen van lagerwal. Je moet daarbij echter wel aandachtig zeilen en het scheepje op koers houden, wat je niet onbeperkt kunt volhouden. Als een platbodem een keer z’n koers heeft en het schip is goed uitgebalanceerd, dan kan je ook wel even de kajuit in om iets te pakken zonder dat er direct gekke dingen gebeuren. Dat gemak is eigenlijk ook onderdeel van zeewaardigheid. Maar nu terug naar de aken.
Na een paar jaren bleek dat voor het visserijtoezicht onhandig te zijn en moesten de vissers weer een gemeentelijke registratie regelen.
We kunnen de familiegelijkenis van de al langer bestaande Friese visaak tonen met de pas eind 1800 ontwikkelde Lemster visaak. De omgekeerde beweging gaat weliswaar genetisch tegen de stroom in, maar is wel interessant. Het gaat daarbij om éen scheepje dat in 2015 bij makelaar Dirk Blom als ‘Lemsteraak’ van 40 voet (11,32 meter), de bekende maat voor Lemster visaken, te koop kwam. Jarenlang was dit scheepje voor die tijd als ‘boeier’ door het leven gegaan, waarschijnlijk vanwege haar sierlijke vorm en de mooie smalle gangen in kop en kont.
Min of meer toevallig raakte ik in 2009 betrokken bij het reconstrueren van de geschiedenis van dit schip. De eigenaar J.H. Freije uit Haren benaderde mij en zo kreeg ik de beschikking over een map vol eerdere onderzoeken, wat een mooie basis was om die geschiedenis af te kunnen ronden. Het verhaal begon in 1978 met de ontdekking van een verwaarloosde stalen ‘boeier’ met houten opbouw op een werfje in de Engelse haven Maldon (Essex). Twee jonge mannen uit Friesland, Van den Berg uit De Lemmer en De Vries uit Sint Nicolaasga, zagen de kwaliteit van dat scheepje. Ze kochten het en brachten het naast een kotter van een Lemster visser van Engeland naar De Lemmer. Daar kwam het verwaarloosde scheepje te staan achter de mastenmakerij van Van der Neut aan de Polderdijk. Bij de sloop van het hout kwam een werfplaatje tevoorschijn: Jachtwerf J. Boot, Woubrugge. Dat versterkte het idee dat het om een ‘boeier’ ging. De restauratie in De Lemmer verliep volgens plan. De ‘boeier’ kreeg een stalen dek en kajuit. Er was ook een passende naam gevonden: ‘Dageraad’, de naam van de voormalige jachterf in Woubrugge. Het schip werd in 1982 verkocht als boeieraak en vanaf Colijnsplaat als ‘oud-Hollandse boeier’ geëxploiteerd als charterschip.
In 1997 werd de ‘Dageraad’ verkocht aan Dick Sluis uit Amsterdam, die zich serieus verdiepte in de geschiedenis van zijn ‘boeier’. Vele personen en instanties werden aangeschreven en dankzij dit onderzoek werd de geschiedenis bekend vanaf 1929. Als ‘boeier’ had dit schip eerst in Frankrijk en gevaren en vanaf 1934 in Engeland.
Wat ontbrak was een overtuigend verhaal waar de ‘boeier’ voor 1929 vandaan kwam. Dick Sluis deed in 2001 via een artikel in de Waterkampioen een oproep aan andere platbodemzeilers of iemand iets wist en niemand minder dan Hans Vandersmissen reageerde. Deze maritiem onderzoeker en publicist was gewend zelf na te denken en niet mee te praten met wat er reeds gezegd werd. Hij stelde resoluut, dat er absoluut geen sprake kon zijn van een ‘oud-Hollandse boeier’. De vorm van de romp deed hem vooral denken aan die van een Lemsteraak. Hij stelde voor het schip een Lemsterjacht te noemen, gezien de voorgeschiedenis voor zover bekend. Dick Sluis trok daarom naar Friesland om meer informatie over de geschiedenis van zijn schip te krijgen. En zo kwam hij in gesprek met de schilder Simon van der Meulen uit Wartena. Die had in zijn leven al vele ijzeren werkschepen opgeknapt en zeilde zelf in een zelf gerestaureerde visaak van Van der Werff uit Drachten. Simon bekeek deze ‘boeier’, dook in het schip en bestudeerde de constructie van de romp en het klinkwerk, raadpleegde zijn boeken en was vervolgens ‘voor 99,9 %’ zeker dat deze ‘boeier’ in 1909 in Drachten gebouwd was bij Van der Werff op het Buitenstvallaat, als visaak voor Arend Toering in Eernewoude. De aak wordt in de schepenlijst van de werf genoemd onder nr. 52 en in het Fries Scheepvaart Museum bleek het bestek nog bewaard te zijn, waarin de opdrachtgever en de bouwer nadrukkelijk overeenkomen, dat kop en kont gebouwd worden met smalle, sierlijke gangen.
De vissers rond Eernewoude bleven niet allemaal op het binnenwater vissen. Ze gingen daarheen, waar de vis was. Voor de aak van Toering werd een gemeentelijke visserijregistratie afgegeven door de gemeente Tietsjerksteradeel (TD2). Toering viste niet alleen bij Eernewoude en bij Langweer, maar ook op de Zuiderzee (waar een registratie verplicht was) bij De Lemmer en zelfs op de IJssel bij Kampen. De aak werd uitgeschreven in 1919, na de Eerste Wereldoorlog, toen besloten werd de Zuiderzee af te sluiten. Na de verbouwing in Woubrugge tot boeierjacht werd het scheepje via IJmuiden naar Frankrijk gebracht, met als thuishaven Honfleur, Normandië.
In 2012 verkocht Sluis zijn aak aan J.H. Freije en C.J. Koningsberger. Zij lieten in drie jaren tijd het aakje fraai opknappen. In 2020 kwam het te koop bij Blom. Een eenvoudig werkschip, een visaak, die jarenlang als boeier en uiteindelijk als Lemsteraakjacht als dame door het leven kon gaan. Dat kan toch geen toeval zijn.