Achthonderd jaar
22-03-2026
Acht eeuwen geleden ontstond de Zuiderzee zoals wij die kennen van waterkaarten van een kleine honderd jaar en langer geleden. Centraal in wat nu Nederland heet, lag tot die tijd een groot veengebied waar rivieren uitkwamen in een relatief klein centraal gelegen meer dat in noordelijke richting een nauwe verbinding had met de Noordzee. Dat Flevomeer was 2000 jaren geleden nog bescheiden, maar duizend jaar later al aardig uitgebreid doordat het veen bij stormen wegsloeg en het water zich kon uitbreiden. Dat al grote Almere veranderde in het begin van de 13e eeuw in een heuse binnenzee, toen door een stijgend zeewaterniveau en met noordwesterstormen grote stukken veengebied tussen het huidige Noord-Holland en Friesland wegsloegen en het zoete Almere veranderde in een zoute binnenzee. De geboorte van de Zuiderzee. Dat was niet rampzalig. Daarna werd het voor de bewoners langs de hoger geleden randen van dat voormalige moerasgebied mogelijk tot grotere welvaart te komen door over die zee met schepen handel te drijven. Eerst kwamen stadjes aan de oostwal tot ontwikkeling dankzij de Sontvaart en de handelsverdragen met Duitse Hanzesteden als Hamburg en Lübeck. Pas in tweede instantie kwamen steden aan de westwal tot grootse bloei. Niet alleen door de Sontvaart, maar ook dankzij de VOC, de vaart op de Oost.
De Zuiderzee bleef door de jaren heen ongeveer even groot. Wel werden de kusten bedijkt om verdere afslag te voorkomen. In Friesland waren het monniken die zich vanuit kloosters bezig hielden met het ontginnen van woeste grond en met de dijkaanleg voor de waterbeheersing. De ondiepe binnenzee vulde zich met Noordzeewater door vooral de Vliestroom tussen Terschelling en Vlieland. Dat zoute water liep naar het zuiden door tot in de Kom, tot aan de zuidwal van bij Spakenburg en Harderwijk met de hogere oevers van de Veluwe. Ten oosten van de lijn De Lemmer, Urk, Harderwijk was de zee overigens nauwelijks zout te noemen. Door de instroom van zoet water uit de Tjonger, de Linde, de Overijsselse Vecht, en natuurlijk vooral uit de Gelderse IJssel was het water er zo zoet, dat zoutwatervissen er liever wegbleven.
Voordat de Zuiderzee in 1932 door de Afsluitdijk werd afgesloten, was er sprake van een heel verschillend getijdenverschil in de Zuiderzeehavens. Dit verschil varieerde sterk per locatie door de trechtervorm van de Zuiderzee, de aanwezige ondieptes en de afgeslotenheid van de Kom. De gemiddelde getijdenverschillen waren bijvoorbeeld in Harlingen 120 cm., Stavoren nog 47 cm. en bij De Lemmer nog maar 20 cm. evenals bij Urk. Enkhuizen had een gemiddeld getijdeverschil van 31 cm. en Spakenburg, waar het water niet verder kon, 39 cm. Bij Amsterdam was slechts sprake van ruim een decimeter getijdewerking. Door opwaaien en afwaaien konden er echter plaatselijk veel grotere niveauverschillen ontstaan.
Wij kennen de Zuiderzee vooral nog van de zeilende visserij uit de recente geschiedenis. De waardering daarvoor ontstond in bredere kring na de Afsluiting van de zee in 1932 en vooral na de Tweede Wereldoorlog, toen duidelijk werd dat de zeilende visserij geschiedenis was geworden. In de vijftiger jaren konden liefhebbers in de voormalige Zuiderzeehaventjes voor minder dan 2000 gulden wel een oude botter op de kop tikken. Voor hen een geweldig schip, vergeleken met de jachtjes die normaal voor de watersport werden gebruikt. Maar helaas ook vaak ‘een kat in de zak’, wat pas bleek als er met die botter die in de haven niet lekte, weer gezeild ging worden. Dan bleek zo’n oud, vermolmd houten schip onder druk van de zeilen lek als een mandje te zijn.
De sfeer in de voormalige Zuiderzeehavens was tot in de zestiger jaren nog heel karaktervol. De oud-vissers waren geïnteresseerd in het nieuwe volk dat hun oude botters etc. kocht en opknapte en omgekeerd hoorden de nieuwbakken schippers de verhalen aan van de vissers over hun ervaringen met de schepen op de zee.
De voormalige Zuiderzeehavens waren in die naoorlogse jaren nogal verlaten en ook wat armoedig, maar juist daarom ook weer sfeervol. Het mooiste haventje was ongetwijfeld dat van Uitdam, een natuurlijke buitendijkse inham aan de westwal, zoals Laaksum een iets eenvoudiger haventje was (en is) aan de oostwal. Dat ooit unieke haventje van Uitdam is tegenwoordig een ‘normale’ jachthaven, even standaard als al die andere.
In de loop van de zestiger jaren kwam de watersport als ‘volkssport’ tot ontwikkeling. Op het binnenwater werd het in de zomermaanden aanzienlijk drukker, wat voor een aantal zeilers aanleiding was om de ruimte te zoeken op het IJsselmeer en de Waddenzee. De idealisten met hun opgeknapte vissersschepen van de Zuiderzee voeren daar uiteraard ook. Met een botter het binnenwater op vond men toen alsof een zeeschuimer verdwaald was in de stad. Het duurde echter niet lang of er verschenen allerlei moderne zeewaardige jachten op de markt waarmee zeilers die niet bang waren voor de steile golfslag op dit ruimere water gingen varen. De voormalige vissershavens werden in de zeventiger jaren al snel te klein door al die nieuwe drukte in de zomer, zodat er grote jachthavens werden aangelegd om de nieuwe watersporters uit Nederland, maar zeker ook uit Duitsland een ligplaats te kunnen bieden. De voormalige Zuiderzee werd een populair water voor zeilers. De jachten werden geleidelijk groter en luxer en eerlijk gezegd ook minder geschikt om mee te zeilen op het ‘gewone’ binnenwater. Het werd in de zomer dus druk op het IJsselmeer, vooral met zeilers, want met een motorjacht is het varen door golven veel minder aangenaam dan op een zeiljacht.
In diezelfde tijd werd dit water wel steeds kleiner en kwamen er ook steeds meer beperkingen door de aanleg van de zuidelijke polders en de Houtribdijk. Door de Flevopolders bleef er slechts een strook water, een Randmeer langs de oude kust, bevaarbaar. De Houtribdijk (eigenlijk een dam en geen dijk) tussen Enkhuizen en Lelystad werd tussen 1963 en 1976 aangelegd over het Enkhuizerzand. Deze waterkering maakte een einde aan de vrije ruimte die er tot die tijd nog was. De dam voorkomt dat bij storm het water onbeperkt naar lagerwal wordt geblazen en heeft daarmee duidelijk een veiligheidsfunctie tegen overstromingen. Het zou eigenlijk de noordelijke dijk zijn van de in te polderen Markerwaard, die er echter nooit is gekomen. De dam is echter voor het wegverkeer een aantrekkelijke wegverbinding tussen Enkhuizen en Lelystad. Voor zeilers zijn dammen echter hindernissen. Wat open water was, werd een afgescheiden Markermeer en een gekortwiekt IJsselmeer. Onbelemmerd van Amsterdam naar Urk of naar Friesland varen was niet meer mogelijk. Het werd benauwder op dat ooit zo ruime water, dat overigens nog lange tijd ‘de zee’ werd genoemd.
Wat het milieu betreft, zijn de veranderingen van de laatste jaren ook opvallend. Eeuwen lang was de Zuiderzee een binnenzee die in open verbinding stond met de Noordzee. Na de afsluiting van de zee werd het nieuwe IJsselmeer in korte tijd zoet. Over de milieuramp die het gevolg daarvan was, had men in die jaren eigenlijk nooit nagedacht. Wel vond reeds in 1905 en 1906 een uitgebreid onderzoek plaats naar de economische waarde van de Zuiderzeevisserij, die niet zo heel groot leek te zijn. (Rapport Redeke, in 1907 uitgegeven door het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel). De landbouw in de nieuw te maken IJsselmeerpolders zou veel meer welvaart brengen. Ook was er aandacht voor de effecten van de afsluiting op de waterbewegingen op de resterende Waddenzee. Een Staatscommissie o.l.v. de beroemde natuurkundige prof. Lorentz schreef een degelijk en omvangrijk rapport dat in 1918 werd aangeboden aan de Tweede Kamer. Daarin werd beschreven hoeveel de waterhoogten, getijdenstromingen en golfpatronen in de Waddenzee na de afsluiting zouden veranderen onder verschillende omstandigheden. (Het Zuiderzeerapport, uitgegeven september 1926). Het ging daarbij niet om het milieu, maar om de veiligheid. Uit de berekeningen bleek bijvoorbeeld dat het verstandig zou zijn de dam niet bij Piaam, even ten zuiden van Makkum, aan te sluiten op de Friese kust, maar bij Zurich, even ten noorden van Makkum. Het tracé werd op grond van dat advies aangepast.
Wel werd er voor de leefbaarheid van het nieuwe IJsselmeer na de afsluiting zoetwatervis uitgezet. De voormalige Zuiderzeevissers mochten vervolgens enige jaren niet vissen in het IJsselmeer om de nieuwe vissoorten eerst tot ontwikkeling te laten komen. Dat was het zo ongeveer.
Veertig jaren later was het IJsselmeer ernstig vervuild door te veel fosfaten in het water van de IJssel en de lozingen van het land. Bij warm weer leek het wel of je door de snert voer. Het meer werd een zee van groene bolletjes, van algen. De overgebleven vissers waren er overigens wel blij mee, want de vissen genoten ervan. Toen het water tien jaren later schoner en helderder werd door het verbod op het ongebreideld gebruik en lozen van fosfaten, klaagden de IJsselmeervissers dat de vissen te weinig te eten hadden en bovendien de aalscholvers vanwege het helder wordende water ‘hun’ vis vingen doordat ze die nu onder water konden zien.
Gelukkig is die groene soep op dit moment verleden tijd. Nu ontstaat er een nieuw ‘probleem’, dat van de verzilting van het zoete IJsselmeerwater waardoor de drinkwatervoorziening in gevaar dreigt te komen. Milieuproblemen lijken daarmee vooral maatschappelijke problemen te zijn. Toen achthonderd jaar geleden de zee ontstond door zeespiegelstijging en noordwester stormen, hadden hoogstens enige monniken last die het veen probeerden te ontginnen. Klachten werden niet gehoord, althans niet opgeschreven. In de 9e eeuw trok de monnik Odulfus van Brabant via Utrecht naar het noorden, om daar de wilde Friezen, die een kleine eeuw eerder Bonifatius om zeep hadden geholpen, te kerstenen. Zijn abdij ten westen van Stavoren is later uitgebouwd tot het Sint Odulfusklooster. Toen dat in de 14e eeuw door het wassende Noordzeewater bedreigd werd, trokken de kloosterlingen tijdig via Stavoren naar het hoger gelegen Bakhuizen. De mensen pasten zich eenvoudig aan bij de omstandigheden. Nu Nederland dichtbevolkt en overgereguleerd is, wordt alles wat de mensen overkomt als onrecht ervaren, waar vooral de overheid iets tegen moet doen en de rechter steeds vaker het laatste woord krijgt.
In de zestiger jaren gebeurde het regelmatig dat piloten van de luchtmachtbasis Leeuwarden met wel erg veel lawaai en voor zeilers bedreigend laag met hun Starfighters over het wateroppervlak van het IJsselmeer vlogen, even uit de Friese kust. Van vissers begreep ik dat dit eigenlijk verboden was en dat zij daarover regelmatig klachten indienden bij de luchtmachtbasis bij Leeuwarden. Iedere tijd kent dus blijkbaar z’n eigen problemen. Die laagvliegende straaljagers zijn tegenwoordig verdwenen, maar er zijn windturbines voor teruggekomen. Het Natura 2000 gebied IJsselmeer is dankzij die landschapsvervuiling gaan lijken op een industriegebied. Maar het einde is nog niet in zicht, want nu zijn er plannen om Defensie over het IJsselmeer met scherp te laten schieten. Vanaf Breezanddijk het IJsselmeer in. Niet om iets te raken, maar als basale schietoefening voor onze militairen. Ze moeten toch ergens kunnen oefenen. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft direct bezwaar gemaakt. Dit plan zou de flora en fauna van het Natura 2000 gebied aantasten en, zo vraagt de gemeente zich af, wat gebeurt er met die munitie die in het IJsselmeer achterblijft? Ook wil de gemeente inzage in de akoestische rapportages. Op Breezanddijk zullen raketten, granaten en andere munitie worden opgeslagen om deze af te vuren vanaf de daar aanwezige camping bij het vluchthaventje halverwege de Afsluitdijk.
Toen de Zuiderzee nog een zee was, werden kustbewoners bij stormen bedreigd door het water, maar nu dat water bedwongen is, blijkt het na tachtig jaren nodig te zijn nieuwe bedreigingen te organiseren om de spanning er wat in te houden.