De nomaden van het binnenwater
15-01-2026
Nederland kennen we als een geordend landje, waar sinds de Franse overheersing van twee eeuwen geleden het leven geleefd wordt volgens centraal opgestelde wetten en regels. Alleen op de onontgonnen ‘woeste’ gronden in het noorden en oosten van het land bleef het lange tijd voor groepjes mensen mogelijk zich aan die geleidelijk toenemende regeldruk te onttrekken. Op het binnenwater waren dat de schippers van de wildevaart, die bulkgoederen vervoerden als mest, zand, grind, schelpen, turf en terpaarde, naast landbouwproducten als aardappelen, bieten en hooi. De beurtvaart die stukgoederen vervoerde was reeds in de 19e eeuw gebonden aan strenge regelgeving om een concessie van een gemeente te kunnen krijgen. Ook de visserij was gebonden aan concessies en vergunningen. Dat alles gold niet voor het bulkvervoer, voor de wildevaart, die in Friesland vooral met skûtsjes werd bedreven. Die schippers waren ‘vrij’, ze hadden geen vergunningen nodig en ‘leefden van de wind’.
Toen rond het jaar 1900 de houten skûtsjes in snel tempo werden vervangen door staalijzeren schepen, gingen in toenemende mate ook de schippersvrouwen en -kinderen mee aan boord. De ijzeren schepen waren ruimer en comfortabeler dan de lekkende houten voorgangers. Ook de schipper had voordeel met zijn nieuwe bemanning, want goedkoper en gezelliger.
Waar die schepen voeren en wat die schippers deden, onttrok zich vrijwel geheel aan de controle door de overheid. Op de vaste wal waren er in de loop van de 19e eeuw en vooral na 1900 tal van wettelijke regelingen gekomen om het leven en werken van de bevolking in kaart te brengen, kwalitatief te verbeteren en tegelijkertijd in de greep te krijgen. De schippers van de wildevaart bleven echter de vrije vogels waar de overheid geen grip op kreeg. Zij waren de zwervers, de nomaden, op het water, die overal waar wat te vervoeren was hun handel dreven. Daarbij wisten zij zich gemiddeld genomen ook nog eens heel aardig te redden. Vergeleken met de meeste landarbeiders leefden zij in welvaart. Hoewel ze zakelijk individualistisch waren ingesteld, vormden ze met collega-schippers (die natuurlijk ook hun concurrenten waren) in een eigen wereldje op het water. De schippers kenden elkaar en wisten wat ze aan elkaar hadden. Dat er voor de mensen op de wal door de overheid tal van wettelijke regelingen met verplichtingen werden ingevoerd, ging in de praktijk grotendeels aan hun voorbij.
Niet uitvoerbare wetgeving
Zo was het voor de schippers niet relevant, dat in 1901 de Woningwet werd ingevoerd, waardoor veel plaggenhutten en krotten voor onbewoonbaar werden verklaard. Die wet stelde minimumeisen aan de oppervlakte en indeling van de woningen die gebruikt worden. Een woning moest tenminste een oppervlak hebben van 33 m2. Ieder vertrek moest voorzien zijn van een raam, bedsteden werden verboden en jongens en meisjes moesten vanaf 12 jaar aparte slaapkamers hebben. Voor de schippersgezinnen kon dit onmogelijk gelden. Op deze schepen was de laadruimte zo groot mogelijk gemaakt en de leefruimte zo klein mogelijk. De roef op een klein skûtsje heeft een oppervlak van 4 - 6 vierkante meters. De ‘stahoogte’ is ongeveer 1.40 meter. Daar leefde een schippersgezin, het was niet anders. Zelfs op de wat grotere tjalken was de roef zelden ruimer dan 6 à 8 m2.
Kinderarbeid in fabrieken was eind 1800 reeds verboden en vanaf 1905 ook buiten fabrieken, dus bijvoorbeeld in familiebedrijfjes. Dat paste heel slecht bij de leefwijze in de wildevaart, waar iedereen aan boord naar vermogen meewerkte. Vijf jaren eerder, in 1900, was de Leerplichtwet aangenomen. Kinderen moesten naar school. Ze moesten leren lezen, schrijven en rekenen. Een maatregel die moest voorkomen dat de jeugd die niet meer mocht werken, ging zwerven door de binnensteden. Bij de wildevaart werd dat anders beleefd. Leerplicht voor de jeugd? Waar moesten die kinderen naar school, als het gezin continu onderweg was? De schippers wisten zich op hun manier in de praktijk heel aardig te redden als ondernemer, dus konden blijkbaar toe met weinig scholing. Om maatschappelijk en economisch te functioneren konden zij met weinig scholing toe. De politiek gedoogde daarom, dat schipperskinderen weinig en onregelmatig naar school gingen. De overheid had natuurlijk ook vrijwel geen grip op het leven van die schippers in de wildevaart die altijd maar onderweg waren.
(Foto: Sippy Tigchelaar en Alice Booij: Schippersvrouwen, verhalen boven water. Gorredijk, 2023)
De overheid ging zich landelijk tevens bemoeien met verbetering van de volkshygiëne, nadat duidelijk was geworden dat de volksgezondheid vooral gebaat is bij schoon drinkwater en hygiëne in het huishouden en de menselijke verzorging. Al dat soort wetgeving was echter moeilijk te verenigen met de leef- en werkomstandigheden van schippersgezinnen in de vrije vaart. Wat moesten zij met al die richtlijnen die toch niet toepasbaar waren in hun situatie? Op de skûtsjes was geen ruimte voor een WC en evenmin voor een wasplaats. De schipper en zijn vrouw sliepen onder het achterdek. Kleine kinderen in de roef en opgroeiende kinderen in het vooronder. Het water aan boord kwam uit een watervat (op het voor- of het achterdek) dat gevuld werd met buitenwater op plekken met een mooie zandbodem waardoor het water relatief schoon leek. Friesland was in die jaren niet dicht bevolkt, maar de dorpen en steden kenden geen waterzuivering. Je kunt dus twijfels hebben bij de kwaliteit van dat drinkwater. Buitenlandse watersporters verbaasden zich erover, dat dit ‘drinkwater’ door de schippers zelfs niet gefilterd werd bij het vullen van de waterton, wat zij wel deden.
De binnenvaart veranderde dankzij de scheepsmotor
Hoewel de schippers zich lange tijd ondanks dat leven als nomaden maatschappelijk goed wisten te handhaven, werd die leefwijze vanaf de dertiger jaren toch minder vanzelfsprekend. Ook de wildevaart innoveerde. In de twintiger jaren verscheen de ‘luxe motor’ op het binnenwater, een vrachtscheepje van zo’n 150 ton dat ontworpen was als motorschip. Het bood het schippersgezin een voor die tijd ongekende luxe van een ruime kajuit met WC en kombuis achter het stuurhuis dat voor de kajuit recht boven de scheepsmotor geplaatst. Dat was toch wat anders dan een zeilscheepje van 40 ton. Het laatste skûtsje in Friesland werd in 1933 gebouwd bij Van der Werff op het Buitenst vallaat bij Drachten. Uiteraard nog steeds als zeilscheepje zonder motor. Toen al als vrachtschip achterhaald, maar er bleven liefhebbers. Na de oorlog was de tijd van deze zeilende vrachtscheepjes echter definitief voorbij.
De schippers kregen ook geleidelijk meer oog voor het belang van scholing voor hun kinderen. Er werden internaten voor schipperskinderen gesticht naast de schippersscholen waar schipperskinderen naar toe konden als ze even stillagen in een haven. Het duurde echter tot 1969 voordat de Wet op de Leerplicht zo werd aangepast, dat schipperskinderen volledig leerplichtig waren en geen ontheffing meer konden krijgen.
De tijd van nomadisch levende schippers van de wildevaart werd na de oorlog relatief snel onmogelijk gemaakt. Hun skûtsjes waren niet langer ideaal voor het vervoer van bulkgoederen. Reeds in de dertiger jaren nam de vrachtwagen veel van deze transporten over. De skûtsjeschippers werden geleidelijk aan werkeloos wegens te weinig aanbod. Na de oorlog bleven ze daarom massaal met hun scheepjes in de stadsgrachten van vooral Leeuwarden en Sneek liggen. Er was woningnood. Zij woonden op hun schip en bleven daar wonen. Dat was de redding voor de vrachtscheepjes die zo tot in de zestiger jaren behouden bleven. De beste exemplaren gingen daarna over naar de recreatie en het SKS-skûtsjesilen.