Van Zeevaartschooltje tot uniek Maritiem Instituut
20-05-2026
In het midden van de 19e eeuw werden tal van zeilverenigingen opgericht, zoals de Koninklijke Nederlandse Yacht Club in Rotterdam, de Koninklijke Zeil- en Roei Vereniging in Amsterdam en de Zeilvereniging het IJ. De grote stimulator daarbij was Prins Hendrik "de Zeevaarder", de derde zoon van koning Willem II. Een jaar na de oprichting van de KNZRV in 1847 werd in Leeuwarden de Zeilvereniging Oostergoo opgericht, genoemd naar de Friese regio waar de oprichters woonden. En net als de Koninklijke Nederlandse Yacht Club waar Prins Hendrik zich zo voor had ingespannen, noemt ook de Zeilvereniging Oostergoo in haar statuten het doel van de vereniging niet dat ze de pleziervaart wil stimuleren, maar dat ze wil 'bevorderen, aanmoedigen en ondersteunen van al wat van nut kan zijn voor de scheepvaart en het zeewezen en hetgeen daarmede in betrekking staat.' (artikel 1, Zeilvereniging Oostergoo). Die opmerkelijke doelstelling blijkt niet exclusief te zijn voor ZV Oostergoo. Ook de KNYC beoogde 'het opwekken van de lust tot het zeewezen' en wenste te bevorderen dat jongens uit de volkswijken leerden om te gaan met roei- en zeilvaartuigen, wat een kweekvijver moest zijn voor goede zeelui voor de marine en de koopvaardij. Het mag ons ietwat verwonderen, maar in de 19e eeuw was het helemaal niet vreemd dat vertegenwoordigers van de maatschappelijke elite zich engageerden met activiteiten die je ‘verheffing van het volk’ zou kunnen noemen. Fabrikanten als Van Heek en Stork in Twente stichtten fabrieksscholen en bouwden fraaie woonwijken voor hun personeel en zo waren vermogende watersporters bijvoorbeeld actief met de organisatie van het onderwijs voor de scheepvaart.
Op de waddeneilanden waren in die eeuw nog veel mannen die de kost verdienden met zeevaart en met visserij. Op Terschelling waren aan het einde van de 19e eeuw nog zo’n 200 vissers actief. Dat aantal nam in de 20e eeuw snel af tot nog zo’n 20 vlak na de oorlog en nog veel minder op dit moment. Hetzelfde geldt voor de zeevarenden. Die leerden ‘het vak’ in de 19e eeuw vooral in de praktijk, op de schepen. Voorwaarde was, dat ze konden lezen, schrijven en rekenen en enig gevoel voor wiskunde hadden. Gevaren werd er op ‘gegist bestek’. Dat klinkt voor landrotten niet geruststellend, maar voldeed in de praktijk behoorlijk goed. Langs de kusten gebruikte de schipper het kompas, de zeekaart, de klok en het log en op wijder water, op zee, had hij ook nog een sextant en een chronometer nodig. Wie tegenwoordig zonder GPS op het IJsselmeer of de Waddenzee zeilt, kan ook zomaar bij slecht zicht op gegist bestek moeten navigeren. Belangrijk is dan, dat je voortdurend bij hebt gehouden waar je zit, anders wordt het lastig.
De eerste Terschellinger zeevaartschool
In de 19e eeuw groeide de behoefte aan meer gedegen opleidingen voor de zeevaart en werden de eerste zeevaartscholen opgericht. Vooral omdat de schepen groter werden en er aan boord specifieke functies ontstonden van bijvoorbeeld die van machinist en van stuurman. Alle waddeneilanden wilden graag een eigen zeevaartschool, want zij hadden allen zeevarenden die niet zomaar eventjes in Harlingen of Delfzijl zeevaartonderwijs konden volgen, laat staan in Amsterdam of Leiden. Reeds in 1840 kreeg Ameland een zeevaartschool. Vlieland volgde in 1866, Schiermonnikoog in 1872, Terschelling in 1875 en tenslotte Texel in 1912. Een bezwaarlijke factor voor het eilandbestuur van Terschelling waren de kosten van zo’n opleidingsinstituut. Terschelling viel bestuurlijk nog onder de provincie Noord-Holland. Gedeputeerden Staten wilde wel meebetalen aan de zeevaartschool op Terschelling, maar het eilandbestuur moest ook zelf over de brug komen met geld. Dat werd pas realiseerbaar toen op West in 1874 een lagere school werd opgeheven. Het gebouwtje kwam daarmee beschikbaar als onderkomen voor de op te richten zeevaartschool. Om de kosten in de hand te houden, werd er niet meer dan één docent aangesteld. Het eenmansschooltje werd een succes en trok daarom steeds meer cursisten. Het moest al spoedig uitgebreid worden met zeker twee lokalen. Maar ook met drie lokalen was de School voor de Zeevaart al spoedig te klein. In 1916 werd daarom besloten een nieuw onderkomen te realiseren. De nieuwe school, gebouwd in de toen moderne Amsterdamse stijl, met tien lokalen, verscheen in 1918 direct ten oosten van West en werd in 1919 in gebruik genomen.
Voor het praktijkonderricht werd een voormalige loodskotter aangeschaft, zodat de machinisten en officieren in opleiding ook konden oefenen op het water, op zee. Bijzonder voor de opleiding op Terschelling was, dat er een internaat aan verbonden was. Daarmee trok het instituut leerlingen uit het hele land en was het niet alleen afhankelijk van jongelui van het eiland die de zee op wilden. Dat waren er ook veel te weinig om zo’n flink instituut mee in stand te houden.
Het Maritiem Instituut Willem Barentsz
In 1942 had de Duitse bezetter van ons land geregeld dat Terschelling bestuurlijk onder Friesland viel. Na de oorlog moest de zeevaartschool dus niet langer zaken doen met Noord-Holland, maar met Friesland om te kunnen bouwen aan de toekomst van het zeevaartonderwijs op het eiland. Het gebouw aan de Hoofdweg dat in 1919 in gebruik was genomen, was na dertig jaren toe aan een grondige onderhoudsbeurt. In 1958 werd het gebouw zelfs afgekeurd om te gebruiken als opleidingsinstituut. Er moest dus iets gebeuren. Uiteindelijk werd besloten tot nieuwbouw. Het nieuwe maritiem instituut werd in 1966 in gebruik genomen. Het oude schoolgebouw met z’n markante bakstenen architectuur werd in 1970 gesloopt.
Het moderne maritiem instituut onderscheidde zich niet alleen door een geïntegreerde opleiding voor maritiem officier (Marof), waarbij de cursisten werden opgeleid als machinist en als stuurman, maar zeker ook in de negentiger jaren door de keuze voor een Maritiem Simulator Trainingscentrum, waarvoor ze het eigen opleidingsschip ‘Prinses Margriet’ moesten opgeven.